Een bedrijfslogo op een T-shirt, polo of werkjas maakt een team herkenbaar. Maar niet iedere bedrukking werkt op iedere stof. De juiste keuze hangt af van het ontwerp, het materiaal en hoe intensief de kleding wordt gebruikt.
Welke technieken zijn er?
Bij zeefdruk wordt inkt met een zeef op de stof aangebracht. Dit is vooral geschikt voor grotere oplages met duidelijke kleurvlakken. Bij transferdruk wordt een ontwerp met warmte en druk op de kleding bevestigd. Daarmee zijn ook kleinere details mogelijk.
DTF (Direct to Film) gebruikt een digitaal bedrukte folie die op het textiel wordt geperst. DTG (Direct to Garment) print rechtstreeks op het kledingstuk en is vooral geschikt voor katoenrijke stoffen. Bij sublimatie trekt de kleurstof in polyestervezels. Deze techniek werkt met name op lichte polyesterstoffen.
En borduren dan?
Borduren is geen druktechniek. Het logo wordt met garen in het kledingstuk gestikt. Dat geeft een stevige afwerking en past bijvoorbeeld goed bij polo’s, sweaters en sommige jassen. Heel dunne stoffen en logo’s met veel fijne details vragen wel extra aandacht.
Wat werkt het beste op werkkleding?
Een techniek die werkt op een katoenen T-shirt is niet automatisch geschikt voor een softshell. Controleer daarom de stofsamenstelling, wasvoorschriften en beschikbare ruimte voor het logo. Kijk ook naar de kleur van de stof: bij bepaalde synthetische materialen kan kleurstof in de bedrukking trekken.
Bij veiligheidskleding telt bovendien de beschermende functie mee. Een groot logo mag niet zomaar fluorescerende of reflecterende delen bedekken. Laat vooraf beoordelen wat op het specifieke kledingstuk mogelijk is.
De keuze begint dus niet bij de druktechniek, maar bij het kledingstuk en het werk. Bekijk hoe je met verschillende technieken bedrijfskleding kunt ontwerpen die past bij je team.



































